top of page

Een vreselijke nacht

  • Foto van schrijver: wuytsjana
    wuytsjana
  • 16 mrt
  • 3 minuten om te lezen

Bijgewerkt op: 2 dagen geleden


Gisterenmiddag liep ik met Boef langs de kaaien in Antwerpen. Hij hapte in iets smerigs, ik trok hem er gauw van weg. Uitwerpselen, denk ik. Na zes jaar hebben we dat nog altijd niet opgelost gekregen. Hij is razendsnel, heeft een superspeurneus, is niet gevoelig voor standjes ter correctie, of snoepjes ter afleiding, en is altijd obsessief op zoek naar voedsel. Te vaak heeft hij prijs, en nu liep het mis. 


Zes uur later merkte ik dat hij verward en sloom was. Af en toe ging er een schokje door zijn lichaam. Hij miste de sprong naar de zetel, en reageerde angstig als we zijn kopje aanraakten. Ik was meteen in paniek. De dame van de spoeddienst zei direct te komen. 


Net voor vertrek gaf Boef over. In de taxi nog eens. Mijn trui hing vol, de rest was in de handdoek beland, en gelukkig reageerde de chauffeur superaardig. ‘Hij kan er toch niets aan doen?’


Op de spoeddienst ging Boef achteruit. Wankel op zijn pootjes. Druppeltjes pipi waar hij stond. De dierenarts gaf hem voorrang. ‘I’m sorry, this is an emergency’, zei ze tegen het koppel voor ons, dat met hun King Charles-hondje al een uur zat te wachten. 


Ze besliste Boef meteen een infuus te geven. Ze tilte hem kundig in haar armen, en nam hem mee. Hij probeerde zich te verzetten, maar dat lukte niet. In tranen bleven we achter in de wachtzaal. 


De eerste uren zouden belangrijk zijn. Hij kreeg actieve kool om de gifstoffen te verwijderen. Hij moest ter observatie de nacht blijven. ‘Acht op tien keer kunnen hondjes de volgende dag naar huis. Maar nu is het afwachten. Wil je hem nog zien voor je vertrekt? Hij is nu kalm.’ 


Achterin de kliniek zat Boef veilig in een bench. Er was nog één ander hondje. Boef zat in de verste hoek, op de grond — schrikkig en versuft. Hij was in de beste handen, dat was zeker. 

Om middernacht mochten we bellen voor nieuws.


Duizend gedachten maalden door mijn hoofd. Bij het buitengaan keek ik onwillekeurig een kamertje in. Er lag een diertje onder een laken. Twee kleine pootjes staken er onderuit. Ik mag er niet aan denken. 


Om middernacht ging de telefoon. 

‘Hij lijkt aan de beterhand’, zei dokteres Barbara. ‘Hij heeft zelfs al wat gegeten. Hij is nog schrikkig aan zijn hoofdje, maar de symptomen zijn niet verergerd. Dat is hoopvol.’ 


Om kwart voor zeven stonden we opnieuw voor de deuren van de kliniek, natuurlijk veel te vroeg. 


Nog nooit zijn we zo blij geweest om die kleine fritzel te zien komen aantrippelen, braafjes aan de leiband bij de dokteres die hem genas. Hij kwispelde, en keek weer pienter uit zijn oogjes. 

‘We deden al een klein toertje,’ zei ze. ‘Hij heeft al een plasje gemaakt. Zijn bloedresultaten lijken goed. Hij heeft zelfs al drie keer gegeten.’ 


Dat klinkt als de Boef die we kennen. 


‘Loop eens een toertje. Merken jullie niets aan hem, dan verwijderen we de katheter en mag hij naar huis. Volgende week volgen we op, maar het ziet er goed uit.’ 


Onderweg naar huis toont de taxichauffeur ons een filmpje van zijn hond in Afghanistan. Ik kijk op en zie hoog aan de hemel een bijna volledige regenboog. Onze gebeden zijn verhoord. We zijn zo dankbaar dat ons verhaal met Boef nog niet voorbij is. 












Recente blogposts

Alles weergeven

Opmerkingen


bottom of page