top of page

Bandit in Gerona

  • Foto van schrijver: wuytsjana
    wuytsjana
  • 6 dagen geleden
  • 2 minuten om te lezen

We hadden uitgerekend de warmste tweedaagse sinds het begin van de lentemetingen uitgekozen om naar Gerona te gaan. Drieëndertig graden in de schaduw, alstublieft. 


Ons hotel was niet annuleerbaar: dat zal je dan altijd zien. We waagden het erop en vertrokken uit onze al warme bergen naar de heetste stad van de regio.


Ondertussen kennen we er onze weg (een beetje). Soms voelt Marnix de nood om wat stad te tanken, en dan rijden we door de tunnels en het ruige, groene vulkaanlandschap van de Garrotxa richting Gerona. 



Niet eens honderdduizend inwoners, maar zo véél toeristen met vlaggetjes dat het lijkt of je in een metropool bent. Onder hen veel Amerikanen, die bij hun over-de-plas-bezoek aan Barcelona het kleine zusje er welwillend bijnemen. 


We weten intussen waar ze de lekkerste pica-pica’s hebben (Brots de Vi) — Boef loopt er zo heen. Hij is zo vrolijk als we een stad bezoeken, ik word er zelf gelukkig van. Het betekent: véél honden en hun geuren, geen katten om dol van te worden, en heel veel terrashapjes. 


Grappig moment: als wij ons bestek neerleggen, wat het einde van de aanvoer der snacks betekent, gaat onze doorgaans asociale koddigaard een meter verderop liggen, pal naast het tafeltje van een aardig koppel uit Californië. Hij gaat nooit zo dicht bij onbekenden liggen.


‘If he bothers you, let us know’, zegt Marnix, maar het meisje haast zich om te antwoorden dat ze hem zo schattig vindt, en dat hij zeker moet blijven liggen. Boef doet er nog een schepje bovenop door zich in een bolletje te rollen en met een zucht aan haar voeten in slaap te vallen. 


Juister: te doen alsof hij in slaap valt — zo goed kennen we hem wel. Want zodra de eerste Amerikaanse friet op de grond valt, sluipt Boef als een volleerde G.I. Joe onder hun tafeltje om hem buit te maken. Vijftienduizend jaar voedselresten delen met de mensensoort hebben zijn kunsten geperfectioneerd. 



Het koppel lachte hartelijk, maar we namen Boef toch maar gauw weer bij ons. ‘You can see why his name is Bandit.’ 




In een ander tentje wist ik Boef net op tijd bij zijn tuigje te grijpen toen hij een roekeloze duif wilde straffen. Het dier-met-doodswens wandelde onder ons tafeltje door, alsof het zich los in de muil van Boef wilde storten. Diens daaropvolgende tijgersprong had, bij vervolmaking, onze vermouths én het tafeltje door de lucht doen vliegen. Zes jaar van één-oog-op-Boef hebben dan weer mijn grijpkunsten geperfectioneerd. 


Never a dull moment. Hoe zeg je dat in het Catalaans tegen de verbaasde locals? 


Na mijn amper vier lessen slaag ik er niet in een volzin uit te spreken, maar als ik de norse barvrouw van het plaatselijke politiebarretje, waar ze met toeristen geen uitstaans hebben, met si us plau om mijn tallat vraag, krijg ik plots haar breedste glimlach. 


Kom je niet in Gerona wonen, vraagt een vriendelijke tooghanger, die onterecht een Catalaanse geletterdheid in mij vermoedt, maar ik zeg dat ik toch liever terugkeer naar het bos. 

Ik kom wel heel graag nog eens terug, voeg ik eraan toe, of iets dat erop trekt, maar ze lachen breed, dus ik denk wel dat ze me begrepen hebben. 




Opmerkingen


bottom of page